KNLTB Vlag (1)

Belastingdienst grijpt steeds vaker in bij BTW-voordeel via ‘stichtingsconstructie’

Het kwam tot op heden regelmatig voor: tennisverenigingen die zelf een stichting oprichtten. Bij de bouw van een nieuwe accommodatie of de aanleg van nieuwe banen biedt dat immers een financieel voordeel. De stichting bouwt de nieuwe accommodatie en de vereniging huurt het complex vervolgens van de stichting. Het BTW-percentage op de bouw van 21 procent wordt verrekend en de stichting stelt de accommodatie ‘ter beschikking’, waarover de vereniging slechts het lage BTW-percentage van 6 procent verschuldigd is. Een beproefde constructie, maar wel een die de Belastingdienst steeds minder accepteert.

Zoals in de inleiding al opgemerkt, geldt bij ‘hetter beschikking stellen’ van een sportaccommodatie, het lage BTW-tarief van 6 procent en kan de BTW op de aankoop of bouw worden verrekend. Dit is het geval wanneer:

  1. De stichting zorgt voor het onderhoud, schoonmaken en beveiliging van de accommodatie.
  2. De vereniging de accommodatie alleen gebruikt voor sportbeoefening.
  3. De stichting ook extra diensten aanbiedt (bijvoorbeeld lessen of instructies).
  4. De lessen en instructies die geen relatie hebben met de sportaccommodatie onder het BTW tarief van 21% vallen.

Waar is de belastingdienst alert op?

In het verleden hebben veel tennisverenigingen de ‘stichtingsconstructie’ gebruikt en zichzelf zo een BTW-voordeel van 15 procent verschaft. Steeds vaker echter beschouwt de Belastingdienst de vereniging en de opgerichte stichting als één geheel, wat de genoemde constructie onmogelijk maakt. Als het aan de Belastingdienst ligt, heeft een stichting een onafhankelijk bestuur en bestaansrecht op basis van een eigen doel en niet louter vanwege een BTW-voordeel.  Om dat onderscheid te maken, is er een aantal zaken waar de Belastingdienst steeds scherper op let. Zo wordt de argwaan van de Belastingdienst gewekt wanneer:

  • De bestuurders van de stichting door de vereniging worden benoemd.
  • De stichting gevestigd is op het adres van de vereniging.
  • De stichting financieel afhankelijk is van de vereniging.
  • De administratie van de stichting wordt gevoerd door de vereniging.
  • De taken van de stichting worden uitgevoerd door de vereniging.
  • De sportaccommodatie wordt gerenoveerd.

Oordeel rechter

In het verleden is de stichtingsconstructie voor de Belastingdienst ook een reden geweest om de rechter een oordeel te laten vellen. In de gevallen waarbij de vereniging aan het kortste eind trok, kwam dat vooral door de volgende feiten:

  • De vereniging huurde in eerste instantie het sportcomplex (rechtstreeks) van de gemeente (tegen een symbolische huurprijs van € 50 per jaar).
  • In het clubblad stond dat de stichting is opgericht om de BTW terug te krijgen.
  • Er was een aanzienlijke organisatorische en persoonlijke verbondenheid tussen de stichting en de vereniging.
  • De feitelijke gang van zaken in en om het complex was voor en na oprichting van de stichting hetzelfde.
  • Het onderhoud van de accommodatie werd door leden van de vereniging verzorgd.

Voorbeeld uit praktijk

Een voorbeeld. In dit geval werd de club in het gelijk gesteld, maar wordt wel duidelijk hoe scherp de Belastingdienst soms is op dit soort gevallen. De verenging werd uiteindelijk in het gelijk gesteld, maar de situatie geeft aan dat de Belastingdienst niet zomaar akkoord gaat met de constructie.

Een stichting kocht een kunstgrasveld en was daarmee voor de Belastingdienst een BTW-ondernemer. En de BTW op de aankoop mag een ondernemer verrekenen. De voetbalvereniging die de velden gebruikte, was eigenaar van de opstallen, maar niet van de voetbalvelden. Ze werden tegen een laag BTW-tarief van 6 procent door de voetbalvereniging gehuurd. De Belastingdienst vond dat er met deze constructie sprake was van misbruik van de regels en claimde dat de stichting geen BTW-ondernemer was. Volgens de Belastingdienst waren stichting en voetbalvereniging één. De rechter oordeelde uiteindelijk anders en wel op basis van de volgende argumenten:

  • De stichting was zelfstandig.
  • De bestuurders van de stichting waren (op één bestuurslid na) niet dezelfde als bij de voetbalvereniging;
  • De stichting had een afgescheiden vermogen;
  • De stichting had zelf een subsidie aangevraagd.

Toekomst

Het kabinet wil per 1 januari 2019 de BTW vrijstelling verruimen waardoor het ‘gelegenheid geven tot sportbeoefening’ voor stichtingen niet langer te kwalificeren is als een BTW belaste prestatie. Waar nu nog het lage BTW tarief van 6% in rekening wordt gebracht aan gebruikers (bijvoorbeeld de tennisvereniging)  van de accommodatie zal deze vergoeding vrijgesteld worden van BTW. De stichting kan de BTW over de kosten en investeringen (21%) niet langer in aftrek nemen.

Het kabinet is wel van plan om dit financiële nadeel te compenseren. Op dit moment is nog niet duidelijk hoe de compensatie er precies uit ziet. Ook over de overgangsregeling voor stichtingen die recentelijk hebben geïnvesteerd in de accommodatie is nog niets bekend. In de loop van dit jaar wordt meer duidelijkheid verwacht hierover. Met deze ontwikkelingen is het voordeel voor verenigingen om een stichting op te richten verdwenen. Gezien de subsidieregeling die in de maak is, lijkt het verstandiger om de investeringen in de accommodatie voortaan door de vereniging te laten doen.